Geschiedenis van Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Ooijen en Stokt
(de voormalige gemeente Broekhuizen)
Door
Jeu Derikx
In
de loop van de tijd hebben de dorpen Broekhuizen en Broekhuizenvorst, en de
buurtschappen Ooijen en Stokt deeluitgemaakt van diverse hertogdommen, konink -
en keizerrijken. De beschreven geschiedenis is daarom in de volgende tijdperken
ingedeeld:
Meer publicaties vindt u door hier te klikken
De
prehistorie (35.000 - 100 vC)
Uit
vondsten in het veld en bij opgravingen is gebleken dat al duizenden jaren voor
Christus de hogere Maasoevers bewoond geweest moeten zijn.
Aangetoond
is dat jagers en landbouwers zo'n 35.000 jaar geleden deze streek bevolkten.
De
eigenlijke geschiedenis van het huidige landschap begint rond die tijd. De
basis, het eerste begin, moeten we nog vele tienduizenden jaren eerder zoeken.
Zo'n
25.000 tot 15.000 jaar geleden was de temperatuur zover gedaald dat gedurende
duizenden jaren het land slechts in geringe mate of helemaal niet begroeid was.
Het lag daarom bloot aan de krachten van de wind, vorst en dooi. De
plantengroei verdween en er ontstond een poolwoestijn. De wind krijgt dan een
belangrijke rol in de vorming van het landschap. De wind verplaatst geweldige
hoeveelheden zand en bedekt er de grond mee: we spreken dan van dekzand. Uit
die periode stamt in de gemeente Broekhuizen het gebied aan de zuidkant van de
Hoogveldweg en het laatste gedeelte van de Horsterdijk, links van de weg, tot
aan de Meerlose Baan.
Van
veel grotere betekenis voor de vorming van de gemeente Broekhuizen was de Maas.
Onder invloed van processen van opheffing en daling heeft de rivier vele malen
een andere weg gezocht, heeft klei, zand en/of grind achtergelaten en heeft
zich daarin weer een weg ingesneden. Ondanks de opvulling zijn deze geulen vaak
nog duidelijk waarneembaar in het landschap en is er een versneden landschap
ontstaan van lage gebieden en plateaus, ook wel donken genoemd.
In
de tegenwoordige gemeente Broekhuizen is het voorgekomen dat door de
verandering in de loop van de rivier een oudere afzetting geïsoleerd kwam te
liggen: het heuvelachtige gebied in Ooijen rechts van de weg, voor de gemeente
grens met Meerlo-Wanssum. De jongste afzettingen in de gemeente zijn de
stuifzanden en de jonge rivierkleien. Tevens treffen we, door de mens beïnvloed,
grote oppervlakten oud bouwland aan, ontstaan door plaggenbemesting; de
zogenaamde velden, die meteen herkenbare zijn aan de bolle vorm.
De
stuifzanden zijn te onderscheiden in oude en jonge. Het gebied in het noorden,
in Ooijen, dat geïsoleerd is komen te liggen van de heuvels aan de andere kant
van de Maas behoort tot het oude stuifzand. Jong stuifzand ontstond door
ingrijpen van mens en/of dier. Het zijn reliëfrijke gebieden en ze zijn
ontstaan doordat de mens steeds meer het landschap aantastte en er massale
verstuivingen veroorzaakte door de plantengroei (in dit geval de heide) te
verwijderen om ze te gebruiken in de potstallen of als voer voor de schapen.
In
Broekhuizen treffen we deze stuifzanden aan de Bronskuilweg en ten westen van
de Vonkelweg. Ook op de Heide te Broekhuizenvorst treffen we deze stuifzanden
aan.
Samenvattend
vinden we in de gemeente dus het gebied van het oude dekzand, het gebied van de
zoekende Maas, het gebied van de oude stuifzanden en het gebied van de jonge
stuifzanden.Waarom
zich hier mensen vestigden.
Het
Maasdal waarin wij wonen, varieert nogal van breedte: in Grubbenvorst is het
maar 750 meter breed, in Ooijen daarentegen drie kilometer. De grondsoort is
goeddeels klei of klei vermengd met zand. In de hoger gelegen delen van het
Maasdal vestigden zich de eerste bewoners. Zij hadden daar verschillende
redenen voor:
- Er was water voor mens en dier.
- Het
water was van belang voor de visvangst.
- De
rivier kon gebruikt worden als transportroute.
- De
grond in het Maasdal was geschikt om wat te verbouwen.
- Uitgestrekte houtopstanden leverden kaphout.
- In de struikgewassen en bossen konden varkens geweid worden.
Alvorens
echter de lagere gronden benut werden voor de veeteelt en de hogere voor de
landbouw zoals nu het geval is verstreek een lange tijd.
Het
grootse deel van de drooggevallen grond bestond uit bos. Wanneer deze bossen
verdwenen zijn is niet bekend. Sporen van zo'n bos werden diep in de grond
teruggevonden bij het graven van de persleiding van de
waterzuiveringsinstallatie van de Maas naar de hoek Broekhuizerweg-Broekstraat.
In
Ooijen werden bij boringen die daar plaatsvonden verbrande dennenappels
aangetroffen. Waar de bossen verdwenen ontstonden heidevelden die voor de
schapen als weide gebruikt konden worden. In de oudste tijden kwam het wel eens
voor dat een dorp zich verplaatste als de grond in de omgeving uitgeput raakte,
of als men ten gevolge van een veranderde loop van de Maas moest verhuizen.
Het
beste nog zichtbare voorbeeld van een veranderde loop van de Maas of een
Maasarm is het Broekhuizerbroek. Het Broekhuizerbroek is evenals het Lottums
Schuitwater een nog open oude Maasarm. Zodra een Maasarm door de grote
kronkeling werd afgesloten en het water "stil" kwam te staan, begon
zich door de afstervende en rottende plantengroei veen te vormen. Het water
werd steeds ondieper en ten slotte begroeide het gebied met bomen. Op plaatsen
waar het veen met platte schuiten werd weggegraven om als turf te dienen, bleven
de zogenaamde schuitwaters bewaard. Hoewel de twee schuitwaters (Lottum en
Broekhuizen) vlak bij elkaar liggen en eens een Maasarm waren, zijn de
verschillen groot geworden. Dit is te danken of te wijten aan de verschillen in
voedsel die het water bereiken. De twee Schuitwaters hebben ook een andere
afwatering.
Andere,
minder duidelijke, Maasarmen vinden we langs de Heming, via tennisveld, Beerendonck,
naar Tienrays en Swolgens viswater, verder naar Blitterswijck en daar weer in
de Maas.
Een
heel duidelijk voorbeeld van een Maasarm is het Broek tussen Ooijen en
Broekhuizenvorst.
Ook het Ekkenbroek langs de Zeelberg naar Ooijen was eens een
zij-arm van de Maas. Een goede gelegenheid om verschillende van de oude
Maasarmen terug te zien is de tijd als er hoog water is. Dat
er in deze ver voorbije tijd bewoning was in onze gemeente blijkt uit enkele
vondsten. Zo werden in Ooijen een spinsteentje en een vuistbijl gevonden. Ook werden
pijlpunten aangetroffen.
Op
het Loo in Broekhuizen en op de grens van Ooijen en Blitterswijck werden urnen
aangetroffen. Deze stammen echter slechts uit de tijd van de Romeinen. Historisch
gezien dus pas voorbij.
terug naar boven
De
Romeinen (100 vC - 450)
Met
de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie. Bij gebrek aan gegevens hebben
we dan enkele stappen van vele duizenden jaren genomen en spreken dan over de
tijd van ongeveer 100 voor tot 450 na Christus.
Dat
de Romeinen hier geweest zijn is af te leiden uit de zojuist genoemde urnen.
Tevens werden tussen 1920 en 1930 in het Ooijens Broek gouden munten en gouden
jasspelden gevonden. De verblijfplaats is niet te achterhalen. Enkele jaren
geleden werd bij werkzaamheden aan het tennisveld "op den Akker" in
Broekhuizenvorst een gave Romeinse drinkbeker gevonden.De
wegen in de oude tijden waren slecht. Een zandpad of paadje verbond de ene
plaats met de andere. Met de komst van de Romeinen veranderde dit. Uit militair
oogpunt hadden ze goede wegen nodig om hun legioenen snel te kunnen
verplaatsen. Ook de Romeinen wisten al dat de kortste weg tussen twee punten
een rechte lijn is. Zo weten we dat er een grote heerbaan (=legerweg) liep van
Maastricht naar Nijmegen. Op enkele plaatsen in Limburg heeft men resten van
deze weg teruggevonden. Een bed van klei, enkele soorten aanvulzand, kiezel en
gruis van bakstenen, samen ongeveer 1 meter dik. De meest aannemelijke route is
hier wel die van de Meerlose Baan.
Recht
toe, recht aan, geen last van hoog water. Een andere grote weg liep van Heerlen
naar Xanten, in onze streek liep deze weg over Duits gebied. Een minder grote
weg liep over de hoge gedeelten van de tegenwoordige Maasdorpen. Het
was waarschijnlijk een verbeterde weg van de toen al bestaande weggetjes. Omdat
er geen materialen als kiezel e.d. in verwerkt zijn, zijn ze in het landschap
zeer moeilijk of niet meer terug te vinden. Door
de komst van de Romeinen veranderden geleidelijk nog meer zaken. De Romeinse
legers met hun aanhang moesten eten. De plaatselijke bevolking moest hiervoor
goeddeels zorgen. Er zal wel geregeld voedsel geëist zijn als een soort
belasting, maar toch valt aan te nemen dat de bewoners van deze streken voedsel
verkochten aan de Romeinen. De onderworpen bevolking begon kleine landbouwbedrijfjes
op te richten om de militairen van voedsel te voorzien. Langs de wegen moesten
nederzettingen gebouwd worden om ze te bewaken en zeker heeft de plaatselijke
bevolking daaraan meegeholpen. Dit bracht weer mee dat er bedrijfjes ontstonden
waar het materiaal voor de bezetters gefabriceerd werd. Als gevolg van dit alles
nam de bevolking sterk toe en bereikte een peil dat later pas weer rond 1800
bereikt werd.
Ter
vergelijking: het dorp Broekhuizen had in 1800 205 inwoners, 1940 waren het er
ca 400 en in 1990 ongeveer 800. Velen zullen zich nog uit de lagere schooltijd
of uit de boeken over Asterix herinneren dat er een opstand uitbrak van de
Eburonen en Menapiers tegen de Romeinen. Met veel geweld sloegen de Romeinen de
opstand neer. De bevolking van deze streken werd gedood of gedeporteerd. Nieuwe
volkeren, de Cugerni en de Tungri vestigden zich hier. Het is vooral na deze
opstand, van 69 tot 71, dat de bovengenoemde Romanisatie plaatsvond en dat de
welvaart met grote sprongen vooruitging.Tussen
250 en 300 na Christus proberen Germaanse stammen van over de Rijn in het
Romeinse Rijk binnen te dringen om te plunderen en te veroveren. Dit is
mogelijk omdat in Rome geen eenheid van bestuur meer is. Het machtige rijk
dreigt ineen te storten. Keizer Constantijn weet de eenheid nogmaals te
herstellen, maar rond 400/450 slagen de Franken er definitief in om in onze
streken de Romeinen te verdrijven.
terug naar boven
De
Franken (450 - 814)
Noord
Limburg hoort voortaan bij het Frankische Rijk. Deze tijd wordt een donkere
vlek in de geschiedenis van deze streek. Er is zo goed als niets over deze tijd
bekend. Vast staat wel dat de beschaving die door de Romeinen gebracht was,
goeddeels verdween en dat de economie verslechterde. Een voorbeeld: van het
bouwen met steen ging men weer over op hout.
Pas
honderden jaren later, na de kruistochten, ging men weer over tot het bakken
van stenen. Vast staat wel dat in de Frankische tijd hier het christendom
gebracht werd.
Waarschijnlijk
werd in Broekhuizenvorst al vrij vroeg een klein zaalkerkje gebouwd op de
plaats waar de tegenwoordige kerk staat.
Toen
de Frankische stammen uitgemoord en uitgeplunderd waren, vestigden zij zich en
vermengden zich met de overgebleven bewoners. Ook de beschaving van de oorspronkelijke
bewoners namen ze gedeeltelijk over. Het
verdwijnen van de Romeinen had tot gevolg dat de bevolking geweldig afnam.
Minder veeteelt en landbouw, dus nam de bebossing weer toe. Er kwamen weer meer
zwervende groepen die van streek naar streek trokken. Was de grond rond een
dorp uitgeput dan trok men verder om daar een bos te kappen en een
"landbouwbedrijf je" op te zetten, het zogenaamde " Slash and
Burn " systeem. In het Maasdal echter bleef men zijn woonplaats behouden
dank zij de aanwezigheid van water en vruchtbare grond. Ook hier boerde men in
het begin totdat de grond uitgeput raakte. Al gauw echter ging men het tweeslag
stelsel en nog later het drieslag stelsel toepassen. Geleidelijk ontstaat in
die tijd ook een vorm van landbouwbedrijven waarbij de baas van een grote
hoeve, of een ander invloedrijke man, de leiding neemt over de andere heel of
halfvrije boeren in zijn omgeving. De tijd van bazen en knechten, van heren en
onderdanen is in aantocht. Dat
er in het Maasdal vanaf de Romeinen tot heden mensen gewoond hebben valt af te
leiden uit de vondsten die in de bodem gedaan zijn: graven, urnen, pottenbakkersovens,
waterputten, zwaarden.
Ook de namen van bepaalde plaatsen wijzen op bewoning
tijdens de Romeinse tijd, zo betekent Stokt zowel in het Latijn als het
Germaans, kreupelhout.
Ooijen
kan verklaard worden uit het Germaans en betekent dan vruchtbaar weiland aan
het water.
terug naar boven
Lotharingen
en Kessel (814 - 1543)
Na
de dood van Karel de Grote in 814 brokkelt zijn machtige Frankische Rijk af en
valt uiteen in 3 delen. Wij komen tot het hertogdom Neder-Lotharingen te
behoren. Door verval van het hoogste gezag krijgen de lagere functionarissen,
zoals graven, hertogen en heren de kans meer macht naar zich toe te trekken.
Voor
deze streek is dat de graaf van Kessel. Ook Broekhuizenvorst, Broekhuizen en
Ooijen gaan tot zijn graafschap behoren, terwijl ook de macht van degenen die
zich plaatselijk, dus in Broekhuizen, Broekhuizenvorst en Ooijen aan het hoofd
plaatsen, de heren, vermeerdert. Geldgebrek, een zeer oude kwaal, dwong de
graaf om zijn bezit te verkopen aan de zeer invloedrijke graaf van Gelder.
We
schrijven dan het jaar 1279. De strijd van de eigenlijke baas, de keizer van
het heilige Roomse rijk, tegen zijn leenmannen brengt voor de bewoners de nodige
overlast mee. Belastingen, plunderingen, moordpartijen. De bezitters van
sommige heerlijkheden weten het zo ver te brengen dat de graaf van Gelder nog
nauwelijks zeggenschap in hun gebied heeft, zo Broekhuizen en Ooijen.
terug naar boven
De
Spanjaarden (1543 - 1713)
In
1543 slaagt de Spaanse keizer Karel V erin de hertog van Gelder te onderwerpen.
Daardoor komen we onder Spaans bestuur. Het gevolg is dat er tijdens de 80-jarige
oorlog regelmatig en soms hevig gevochten is en dat er geregeld geroofd en
geplunderd werd, zowel door vriend als door vijand. Zo is bijvoorbeeld het jaar
1635 bekend geraakt als het Kroatenjaar. Een regiment van deze Kroaten onder
overste Piccolomini heeft toen hevig huisgehouden in deze streken. Al wat deze
soldaten tegen kwamen werd gestolen of in brand gestoken. Uit een aantekening
van pastoor Bongarts van Broekhuizenvorst blijkt dat ze zelfs in kasteel Ooijen
binnengedrongen zijn, want, zo schrijft hij: "eenen ketel van roet koeper
en eenen pot dewelck yck hadde gefluecht op huis Oeijen ende sijn allebeyde
aldaer gestolen van krijgsvolck int jaar 1635 als er ys gewest een gemein
devastatie". Uit
geldnood wilde de Spaanse keizer de dorpen die nog geen heerlijkheid waren tot
heerlijkheid verheffen en verkopen. Zo gebeurde in 1673, toen Broekhuizenvorst
aan Francis de Fleming (die ook heer van Swolgen was) verkocht werd.
Broekhuizen en Ooijen waren als van oudsher zelfstandige heerlijkheden, zeker
enkele honderden jaren eerder. Aan het hoofd van een heerlijkheid stond de heer
die soms ridder was. Samen met een groepje personen bestuurde hij zijn
heerlijkheid. Een groot gedeelte van het grondgebied behoorde toe aan de heer. Zijn
land bebouwde hijzelf of liet dat over aan de pachter of rentmeester van zijn
hof. De grond die niet aan de heer toebehoorde was van de geërfden, wat niet wil
zeggen dat ze geen belastingen hoefden te betalen. Samen vormden zij de gemeente.
Aan het hoofd stond de borgemeester of schout, wederom bijgestaan door een paar
inwoners van de heerlijkheid, de schepenen. Vaak waren deze schepenen dezelfde
personen als de naaste medewerkers van de heer. Iedere heerlijkheid had alleen
of samen met een andere plaats een schepenbank. Aan het hoofd van de
schepenbank stond de heer die zich meestal liet vervangen door een de schout of
scholtis. De schepenen waren de personen die rechtspraken. De scholtis was de
aanklager en moest ook zorgen dat een vonnis uitgevoerd werd. De rechtszaken
die door zo'n schepenbank behandeld werden waren niet alleen maar kleine zaken,
maar ook zaken die gevangenzetting of de doodstraf tot gevolg konden hebben
werden afgedaan. In Geldern was een soort rechtbank voor hoger beroep.
Bijvoorbeeld.
Dominicus Toonen uit Ooijen werd wegens wanbetaling aangeklaagd en veroordeeld.
Hij betaalde echter niet en moest gemaand worden. Dit baatte niet en er werd
beslag gelegd op het weinige dat hij had. Dominicus werd het moe steeds maar
voor de schepenbank te moeten verschijnen. Op zekere dag toen de schepenen hem
weer kwamen manen trok hij een mes en bedreigde de schepenen. Toen waren de
poppen pas goed aan het dansen. Er volgde een fikse rechtszaak die erop
uitdraaide dat Dominicus tot twee jaar dwangarbeid op water en brood, op de
vestingwerken van Kleeve werd veroordeeld. In Geldern werd de straf omgezet in
anderhalf jaar.
terug naar boven
De
Pruisen (1713 - 1794)
In
1713, na de Spaanse Successieoorlog, werden wij bij Pruisen ingedeeld
(feitelijk al sinds 1703). Het hele hertogdom Gelder waartoe wij behoorden
bleef echter de oorspronkelijke taal spreken (ongeveer ons dialect). Niet de
Pruisische wetten, maar de Gelderse land- en stadrechten waren van kracht. Dit
gaf natuurlijk wrijving met de Pruisische Koning en zijn functionarissen.
terug naar boven
De
Fransen (1794 - 1814)
Tot
1794 duurt de heerschappij van de Pruisen. Dan komt de storm van de Franse
Revolutie over onze streken. Er treden geweldige veranderingen op die in de
loop van een zestal jaren worden doorgevoerd. Het Hertogdom Gelder wordt
opgeheven en ingelijfd bij Frankrijk. Het Gelderse land- en stadrecht moet
plaats maken voor Franse wetten.
De
rechten van de heren worden hen ontnomen en hun bezit wordt vaak in beslag
genomen. De heerlijkheden worden ontbonden, de gilden opgeheven. Het bisdom
Roermond verdwijnt. Na 1801 worden we op kerkelijk gebied ingedeeld bij Aken (verandering
patroonheilige).
Kloosters
worden gesloten, kapellen afgebroken, wegkruisen verwijderd. Ook hier
veranderde veel. De drie vroegere heerlijkheden, tevens aparte gemeenten,
werden tot een nieuwe gemeente samengevoegd: de gemeente Broekhuizen. Een
tweetal jaren werd de gemeente vanuit Horst bestuurd. In 1800 worden de
gemeenten zelfstandig. Aan het hoofd komt de maire met de adjoint en 5
raadsleden die dan nog van hogerhand benoemd worden. Ook voor de gewone man had
de Frans Revolutie grote gevolgen. Het onderwijs werd gereorganiseerd, het
metrieke stelsel werd ingevoerd, men moest een achternaam hebben, de
burgerlijke stand werd ingesteld. Steeds opnieuw werden belastingen geheven die
alle redelijkheid te boven gingen. Heel nare gevolgen had de invoering van de
dienstplicht; verschillende dorpsgenoten keerden niet terug van een of ander
slagveld. Jacht op deserteurs, bedreiging en straffen voor de ouders van de
deserteur.
Tot
1814 duurt de Franse bezetting, Pruisische troepen verjagen dan hier de
Fransen.
terug naar boven
Het
Koninkrijk de Nederlanden (1814 - 1830)
In
1815 komen wij als één gemeente terecht in de provincie Limburg die deel uitmaakt
van het koninkrijk der Nederlanden.
terug naar boven
Het
Koninkrijk België (1830 - 1839)
Even
nog, tussen 1830 en 1839 maken we deel uit van het koninkrijk België.
terug naar boven
Het
Koninkrijk der Nederlanden (vanaf 1839)
Vanaf
1839 maken de dorpen definitief deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden.
Het
laatste bezettingstijdperk was tijdens de tweede wereldoorlog toen de Duitsers
het hier tussen mei 1940 en november 1944 voor het zeggen hadden.
Door Jeroen Thielen, die lid is van de Historische Kring, is een website gemaakt over de gevechten in en rond Broekhuizen in 1944. Klik daarvoor op: www.broekhuizen1944.tk
terug naar boven
Publicaties
Wilt
U meer weten over de dorpen Broekhuizen en Broekhuizenvorst, dan kunnen de
volgende publicaties U daarbij helpen:
- "Broekhuizen
Toen" van Joeps van Hees uit 1984
- "De
gemeente Broekhuizen in oude ansichten" door P. Weijs uit 1986
- "Kerk
Broekhuizenvorst" door Jeu Derikx en Historische Kring
- "Kerk
Broekhuizen" door Jeu Derikx en Historische Kring
- "Noord
Limburgse Maasdorpen" uitgeverij van Spijk Venlo uit 1980
- "De
bevrijding van de gemeente Broekhuizen" door P. Weijs uit 1994
- "Mazzel"
Herinneringen aan de watersnood in de gemeente Broekhuizen uit 1995
- "Waar
de brede stroom der Maas" door H.J.H. Schurgers uit 1972
- "Honderd
jaar gemeente Broekhuizen" door H. Reintjes uit 2000
- "Om niet te vergeten" door A. Timmermans en SCA Historische Kring Broekhuizen/vorst uit 2006
- "Zien en Wetens: Van de Stokt tot Ooijen" door Jeu Derixk uit 2008
Voor
meer informatie SCA Historische Kring Broekhuizen ( tel:
077-4632194)
maart
2001
Jeu
Derikx
terug naar boven
home
|